| GESCHIEDENIS VAN DE UTRECHT (II) |
NV Bureau Wijsmuller nam de sleepboot over in 1919 van Bureau B. Bernard te Schiedam. Deze had de sleepboot in de vaart onder de naam “STRAAT SOENDA”. Kort na de overname onderging de “Utrecht” een verbouwing waarbij onder meer de stoomketels naast elkaar werden geplaatst. November 1919 vertrok de "Utrecht" met een dokdeur naar Rio de Janeiro. Na terugkeer in Nederland vertrok de "Utrecht" op 12 februari 1920 van Amsterdam, met de baggermolen “HAM 55” bestemd voor Soerabaja. De “Utrecht” en de “Ham 55” passeerden op 7 maart 1920 Gibraltar. Op 3 juli 1920 arriveert de “Utrecht” te Crafoo om vandaar uit baggermateriaal naar Nederlands Indië te veslepen. Op 2 december 1920 arriveert de “Utrecht” te Medan met de baggermolen “Hercules” uit Sabang. Op 14 december vertrekt de “Utrecht”met twee sleepbootjes vanuit Sabang naar Palembank. In 1921 vertrokken de "Utrecht" en de “Brabant” met het Soerabaya droogdok naar Soerabaja, mei 1921 werd Sabang aangedaan voor bunkers en op 20 mei 1921 werd de reis naar Soerabaja voortgezet. In 1922 werd er een baggermolen versleept van Buenos Aires naar Pernambuco. Medio juni juli ( <-- ??? -- FP) 1924 maakten de “Friesland” en de “Utrecht” een reis van Java naar Walvisbaai via Mauritius, met een baggermolen en vier bakken, elk bemand met twee runners. Ten oosten van Port Elizabeth kregen de boten te kampen met zeer zwaar weer met geweldig hoge zeeën, waardoor de bakken lossloegen. De “Friesland" kon drie bakken weer vastmaken, maar de vierde was zinkende. De twee runners van deze bak werden gered door de “Traveller”, een schip dat te hulp was gestuurd. De “Utrecht” vertrekt op 13 juni 1926 met de tanklichter “Neerlandia” vanuit Middlesbrough naar Thameshaven. Op 13 juni 1927 is de “Utrecht” met de Sleepboot “Pernis” en een onderlosser onderweg van Rotterdam naar Teneriffe. Op 11 oktober 1927 weten de “Willem Barendsz”, de “Utrecht”, de “Stentor” en de “Hector” het op de Noorderpier gestrandde S.S. “Bedefell” vlot te brengen. Op 16 november 1928 verliet de "Utrecht" Hamburg met de “Frisia” (1250 ton), die 700 ton olie als lading had. 17 November 1928 werd geankerd bij Cuxhaven wegens het slechte weer. Op 21 november 1928 besloot men zee te kiezen. 23 November 1928 was de sleep dwars van lichtschip "Terschellingerbank", toen het weer snel verslechterde en de wind aanwakkerde tot orkaankracht. De "Utrecht" ging bijleggen met de sleep en probeerde gaande te houden. 23 November 1928, om kwart over tien, kwam er een zware zee over en brak de sleeptros. Zaterdag 24 november wist de "Utrecht" weer vast te maken en zette koers naar lichtschip "Borkum". Dinsdagmorgen 20 november was de "Utrecht" weer op de rede van Cuxhaven. 21 Juni 1929 komt de "Utrecht" Den Helder binnen vanuit Maassluis, en vertrekt daarna naar Stettin. De "Utrecht" arriveerde 18 augustus 1929 met de tanklichter “Neerlandia” te Hamburg. De “Neerlandia” was versleept naar Hamburg vanuit Rotterdam. Op 9 december 1929 ligt de “Utrecht” met de lichter “Neerlandia” te Delfzijl te schuilen in afwachting van beter weer, dit gaf de kans om de “Utrecht” droog te zetten om een tros uit de schroef te verwijderen. Op 18 januari 1930 vertrekt de “Utrecht” vanuit Schiedam met een kraan met bestemming Conakry. Tijdens een zware storm brak in de nacht van 31 januari de sleeptros. De “Utrecht” wist de runners nog te redden van de kraan, voordat deze strandde nabij Kaap Finisterre en zonk. De “Utrecht” stond onder commando van kapitein Hemmes. Tussen Wijk aan Zee en Castricum strandde het met 1900 ton kolen geladen S.S. “Cyrille Danneels”. Nadat een deel van de lading overboord was gezet, slaagden de “Drente”, de “Friesland”, de “Groningen” en de “Utrecht” er op 14 januari 1931 in het schip vlot te brengen en IJmuiden binnen te brengen. 21 januari 1931 strandde het Engelse S.S. “Pendeen” op de Noorderpier van IJmuiden. Het schip werd dezelfde dag nog door de “Vlaanderen”, de “Drente”, de “Friesland”, de “Utrecht” en de “Groningen” vlot gebracht. Op 4 augustus 1931 wordt de trawler “Salsburg”, welke was gestrand bij Den Helder, door de “Utrecht” vlot gebracht. De “Salsburg” kon hierna de reis naar IJmuiden met een lading vis vervolgen. Dezelfde dag werd uitgevaren voor de Duitse treiler “O.N. 152”, welke op de Noorderhaaks is gestrand, de “Utrecht” is gecontracteerd op basis No Cure No Pay. Tijdens schietoefeningen van de Marine op 23 steptember 1931 is de oude torpedoboot “Ardjoen”, goed getroffen, ze is gezonken en alleen de boeg steekt nog boven water uit. De Utrecht” vertrok, samen met een bergingsvaartuig van Wijsmuller en het duikbedrijf van de marine, naar de “Ardjoeno” om te trachten haar lichten en naar Den Helder te slepen. Op 7 oktober 1932 werd door de Utrecht de bij Petten gestrandde botter “U.K. 86” vlot gebracht en naar IJmuiden gesleept. De “H.D. 108”, die 25 oktober 1932 op de kust van Texel is gestrand, is de volgende dag door de “Utrecht” vlot gebracht. De “H.D. 108” was bij de stranding haar schroef verloren. Het wrak van de uitgebrande “P.C. Hooft” is op 4 december 1932 door de “Utrecht” en de “Drente” van IJmuiden naar Rotterdam versleept. De “Hector” stond achter vast. De “Utrecht” heeeft op 19 maart 1933 de Belgische logger O. 218 “Maria Johanna” uit Oostende binnengebracht. De “Maria Johanna” kreeg op 18 maart een defect aan de stuurmachine, waardoor ze stuurloos richting kust dreef. DE SCHEEPSRAMP BIJ LICHTSCHIP “HAAKS”. In den nacht van 4 op 5 Oktober 1934 heeft de sleepboot "Utrecht" bij Zuidwester storm een moeilijke tocht gemaakt naar het bij Lichtschip “Haaks” in nood verkeerende Belgische s.s. “Charles José" (groot 551 B.R.T.) Op 4 October 1934 ten 20.05 uur ontving Kustwachtpost Kijkduin van het Lichtschip “Haaks” de mededeling: Schip in nood. Vermoedelijk een klein vaartuig. Heeft ten 18.33 uur M.T.G. (d.i. 19.53 uur pl. tijd) vuurpijl opgelaten. Peiling Z.O. ong. 2 mijl afstand. Wegens hoge zee niets naders te onderscheiden. Heeft ten 18.45 uur M.T.G. een tweede vuurpijl opgelaten. Hebben deze met contra vuurpijl beantwoord". Om 20.30 uur (pl. t.) ontving men een bericht van het Lichtschip “Haaks” luidende: Na de bui konden wij de positie van het schip bepalen. Peiling Z.O. ongev. l 1/2 mijl afstand. Voert 2 rode lichten. Trachten sein gemeenschap te krijgen, wat vanwege de hoge zee zeer moeilijk gaat. Om 21 uur vertrok de sleepboot "Utrecht" naar de plaats des onheils. Tussen de buien door werd vanaf het Lichtschip geconstateerd dat het vaartuig op haar zij lag. Tijdens de invallende buien, was het zicht bij tijden geheel weg, terwijl de hoge zee, met den Z.W. stormwind, welke af en toe kracht 9 bereikte, den voortgang van de sleepboot belemmerde. Door het Molengat werd gekoerst naar het Lichtschip “Haaks". Ten ongev. 22 uur op ongev. 7 mijl van het Lichtschip werd een lichtkogel afgeschoten, om de aandacht te trekken, waarop evenwel geen antwoord werd gegeven. Vervolgens werd ten ongev. 22.30 uur op ongev. 4 mijl van de “Haaks" wederom een lichtkogel afgeschoten, waarop door het in nood verkerend vaartuig met een rode flambouw werd geantwoord. Hierop werd onmiddellijk koers gesteld. Alles werd nu in gereedheid gebracht de schipbreukelingen aan boord te nemen. Het zoeklicht werd ontstoken en hiermede werd de omgeving afgezocht. Om 23.30 uur ter hoogte van het Lichtschip werd andermaal een lichtkogel afgeschoten waarop wederom met een rode flambouw werd geantwoord. Naar schatting was de sleepboot toen nog op ongev. l mijl afstand van het in nood verkerend schip, hetwelk in Z.W. richting werd gepeild. Helaas werd na dit teken geen sein meer gezien. Na tot ± 24 uur in Z.W. richting te zijn doorgevaren, waarbij niets van enig vaartuig of wrakhout werd bespeurd, werden nadere inlichtingen van het Lichtschip “Haaks" gevraagd, welke mededeelde geen rode lichten meer te hebben gezien, waaruit de veronderstelling werd opgemaakt, dat het schip was gezonken. Ten einde raad werd gekoerst naar een stoomschip, hetwelk later bleek te zijn het Duitse stoomschip “Biskaje" van Hamburg, hetwelk bijgedraaid lag. Door het geweld van den storm was het niet mogelijk nadere bijzonderheden van dit schip te vernemen, doch uit het geschreeuw en de gebaren werd opgemaakt, dat het schip was gezonken. Toch werd de omgeving afgezocht. Zonder resultaat evenwel. De 5e Oktober, toen bleek dat al het mogelijke was gedaan om de schipbreukelingen te redden en duidelijk was geworden dat een langer verblijf daar ter plaatse geen resultaat meer zou opleveren, is de sleepboot teruggekeerd. In 1935 versleept de "Utrecht" een dok naar Spanje. In de ochtend van 8 september 1936 strandde het Noorse S.S. “Sirenes” op de kust bij Callantsoog. Wijsmuller wist samen met Doeksen het S.S. “Sirenes” op 22 september 1922 weer vlot te brengen. Hierbij waren door Wijsmuller de “Utrecht”, de “Nestor” en de “Hector” ingezet. Van Doeksen werkte de “Holland” mee aan de berging. 18 November 1936 verkeerde het Griekse S.S. “Atlanticos”, op 8 mijl dwars van Callantsoog in een noordwesterstorm, windkracht 10, in nood. De "Utrecht" wist vast te maken en bracht het schip naar Den Helder. Op dinsdag 10 november 1936 meldde lichtschip “Haaks” dat op 25 mijl noordwest van het lichtschip het Duitse S.S. “Jessica” (998 BRT) met een gebroken roer ronddreef. De “Utrecht” vertrok van haar station in Den Helder, wist op 11 november vast te maken en het schip naar IJmuiden te slepen. 1 December 1936 liep de Noorse tanker M.S. “O.A. Knudsen” aan de grond in de haven van IJmuiden. De “Hector”, de “Stentor”, de “Nestor” en de “Utrecht” wisten de tanker in de ochtend van 2 december weer vlot te brengen. De tanker heeft roer- en bodemschade opgelopen. Zondag 13 december 1936 is de logger “KW 112” ten noorden van Camperduin op de Hondsbosche zeewering gelopen. De “Utrecht” en de “Nestor” hebben vastgemaakt en de “KW 112” vlot gesleept. 9 September 1937 bracht de “Utrecht” de mijnenlegger “M 2”, die in moeilijkheden verkeerde, binnen in de haven van Terschelling. 10 Oktober 1939 brachten de “Utrecht” (kapitein v/d Burg) en de “Stortemelk” van Doeksen de Finse houtboot “Indra” binnen in IJmuiden, nadat deze op een mijn was gelopen. De “Indra” was blijven drijven op haar lading hout. De mijnenjager “Jan van Gelder”, die op 19 oktober 1939 zwaar beschadigd werd door een mijn, is door de “Utrecht” van Den Helder naar Rotterdam versleept. Op 4 april 1940 strandde het Zweedse S.S. “Torn” op de Haaksgronden, dicht bij een mijnenversperring. De "Utrecht" wist het S.S. “Torn” op 5 april 1940 vlot te trekken. Tijdens de Tweede Wereldoorlog kwam de "Utrecht" ter beschikking tot de Koninklijke Marine. Op 6 november 1940 werd de "Utrecht" tot krijgsbuit verklaard door de Duitse bezetters. Het vaartuig werd ingedeeld bij het Lazarett Verband als “LAZ 33”. In 1941 werd de “LAZ 33” overgeplaatst en ingedeeld bij het Hafenschutzflotille te Kiel als Kabel-Fern Räumgerät Schlepper. Weer later kwam zij als “DPK 01” bij het Küstenschutzflotille Pommern in dienst. Tot eind 1943 heeft zij als zodanig dienstgedaan voor deze afdeling. Vanaf 1943 heeft zij gedurende een half jaar als “VS 201” gevaren en was als KFGR-Schlepper ingedeeld bij het 2e Sicherungsflotille. Op 12 juni 1944 liep de sleepboot in de Pommernse Bocht op een mijn nabij Sassnitz, waarna de sleepboot zonk. De sleepboot werd op 4 juli 1944 gelicht, maar was dermate beschadigd dat zij tenslotte moest worden gesloopt. |